Marry de Gaay Fortman over haar eerste pleidooi: ‘Het was juridisch totaal kansloos’

In de rubriek Mijn eerste pleidooi vertellen advocaten over de allereerste keer dat ze in de rechtbank het woord mochten voeren. Het pleitdebuut van Houthoff-partner Marry de Gaay Fortman had niet het gewenste resultaat, maar leverde wel een inzicht op dat het verloop van haar carrière bepaalde.

Marry de Gaay Fortman
Advocaat en partner bij Houthoff
Beëdigingsdatum: 9 augustus 1988

De zaak

“Mijn eerste, eigen zaak diende zich op een bijzondere manier aan. Bij de opening van een galerie werd ik benaderd door een excentrieke man, die zich voorstelde als De Waddenschilder. Hij had gehoord dat ik advocaat was en besloot ter plekke mijn hulp in te roepen bij de rechtszaak waarin hij verwikkeld was. Ik was meteen geïnteresseerd – dat ik weliswaar advocaat was, maar nog amper in de rechtbank had gestaan, zei ik er maar niet bij.

De schilder vertelde dat hij al jaren de Waddenzee op ging om te schilderen. Hij liet zijn schip dan droogvallen op zandbanken en bleef daar uren liggen, om aquarellen te maken van het uitgestrekte Wad. Maar nu waren een paar van zijn favoriete stekken door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) tot stiltegebied verklaard. In het gebied dat was overgebleven, werd zijn uitzicht belemmerd door boten en booreilanden, waardoor hij zijn werk als Waddenschilder niet meer kon uitvoeren. Garnalenvissers hadden wel toestemming gekregen om te blijven varen in de stiltegebieden, omdat zij professioneel gezien locatiegebonden waren.

De Waddenschilder vergeleek zichzelf met de garnalenvissers: ook hij kon zijn beroep alleen uitoefenen op het Wad, en daarbij waren ‘totale rust en vrijheid’ essentieel. Daarom had hij bij het ministerie ontheffing aangevraagd, maar die was tot twee keer toe afgewezen. Nu was het tijd voor grof geschut vond hij: een kort geding bij de Raad van State.

Ondanks mijn gebrek aan ervaring, wist ik meteen dat dit hoogstwaarschijnlijk een mission impossible zou worden. Wie door de rechter een weigering van de overheid wil laten omzetten in een positieve beslissing, is juridisch eigenlijk totaal kansloos. Toch vond ik het zo’n oprecht verzoek, dat ik besloot om de schilder te helpen. De Waddenschilder deed geen vlieg kwaad op het Wad en had zo’n uniek verhaal, er zouden na hem echt geen tien Waddenschilders komen die dan óók de stiltegebieden in wilden. Ik gunde hem zijn vaste stek en dat zou de overheid toch ook moeten doen, vond ik. Na overleg met kantoor nam ik de zaak op toevoegingsbasis aan. Het werd vast een hele kluif, maar ik zou niet opgeven. Wie niet waagt, die niet wint.

Het pleidooi

“Om een goed beeld te krijgen van het werk van de Waddenschilder, ben ik met hem meegegaan het Wad op. Fantastisch om hem live aan het werk te zien. Daardoor raakte ik nog meer overtuigd van de zaak: deze man hoorde hier thuis. Om meer te weten te komen over stiltegebieden en natuurbescherming heb ik ook informatie ingewonnen bij de Universiteit Wageningen. Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat de Waddenschilder onevenredig benadeeld was.

Ik bedacht een plan. Als we de rechter wilden overtuigen van het belang van de aquarellen, moesten we die aan de rechter laten zien. En zo maakten we van de openbare zitting bij de Raad van State een expositie. De tribune zat vol met klanten van de schilder, die allemaal hun aquarel hadden meegenomen. Best een brutale actie – dat zou ik nu nooit meer durven, haha!

Mijn pleidooi ging goed. Ik was nerveus, maar die tribune vol medestanders voelde als een bemoedigende fanclub. Aan het einde van de zitting schrok ik me dan ook wild toen de rechter zei: “Kunt u nog even blijven zitten?” Mijn hart klopte in mijn keel, nu kreeg ik vast op mijn kop. Tot mijn verbazing zei de rechter: “U hebt een ongelooflijk sympathieke zaak, maar u begrijpt wel dat dit bij een rechter nooit grond zal vinden.” Daarmee zei hij dus eigenlijk dat ik zou verliezen. Een flinke teleurstelling, maar geen verrassing. En ik hoorde ook iets anders. Als ik deze zaak wilde winnen, moest ik het niet via de rechter spelen. Om druk te zetten op het ministerie, moest ik buiten de gebaande juridische paden denken en aan andere, maatschappelijke knoppen draaien. En dat hebben we gedaan.

Samen met de schilder zijn we gaan lobbyen om de zaak bekendheid te geven. Door contact met het ministerie, maar ook door de publiciteit te zoeken en de media aan onze kant te krijgen. De schilder nam journalisten mee op zijn boot, die daarna vol verontwaardiging schreven hoe schadeloos en stil hij te werk ging. De maatschappelijke druk op het ministerie nam steeds verder toe. Er verstreken ruim drie jaar, maar de Waddenzaak liet ik niet los. En toen werden we ineens uitgenodigd door het ministerie. Of we nog eens wilden komen praten.

Uiteindelijk heeft de staatssecretaris van LNV alsnog de ontheffing verleend aan de Waddenschilder. Dat ging nog steeds niet zonder slag of stoot, want na zijn akkoord moesten we ook nog in gesprek met ambtenaren in Groningen, die niet stonden te springen. Toen de schilder water bij de wijn deed, was het eindelijk rond: vanaf nu mocht hij weer varen naar Rottumeroog en Rottumerplaat. De ontlading was immens: ik weet nog dat hij wel honderd keer ‘heuj!’ riep toen we het hoorden. Om het te vieren zijn we nog een keer samen gaan varen naar Schiermonnikoog.”

De evaluatie

“Achteraf is de opmerking van de rechter bepalend geweest voor het verloop van mijn carrière. Het deed me al vroeg inzien dat het recht ook zijn beperkingen heeft, zeker als je zaken wil regelen in het publieke domein. Sinds deze zaak probeer ik daarom de gang naar de rechter zoveel mogelijk te voorkomen. Liever ga ik meteen het gesprek met de overheid aan. In complexe zaken is juridische kennis vaak niet het enige dat telt, maar komt het aan op vindingrijkheid en sociale vaardigheden. Daarmee krijg je een in eerste instantie kansloze zaak soms tóch in beweging.

Op mijn werkkamer hangt nog steeds de aquarel die ik destijds heb gekocht van de Waddenschilder. Als mijn oog erop valt, kijk ik met een glimlach terug op mijn eerste pleidooi. Zaak verloren, carrière gewonnen, denk ik dan.”

Bron