Verzoek om toelating tot schuldsaneringsregeling mogelijk in verzetprocedure

HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:460

De regel dat alleen om toelating tot de schuldsaneringsregeling mag worden verzocht zolang het faillissement nog niet is uitgesproken, geldt niet in de verzetprocedure.

In deze zaak is de schuldenaar failliet verklaard, zonder dat hij is gehoord. Hij stelt verzet in en verzoekt daarbij alsnog tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Rechtbank en hof wijzen dit verzoek, dat is gebaseerd op art. 3 van de Faillissementswet (Fw), af. Als het faillissement eenmaal is uitgesproken, dan zou de schuldenaar alleen via de weg van art. 15b Fw om toelating tot de wettelijke schuldsanering kunnen verzoeken.

Deze laatste regel is afkomstig uit een eerder arrest van de Hoge Raad (zie HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4947, rov. 3.4). In dat arrest werd geoordeeld dat een persoon ten aanzien van wie de faillietverklaring is verzocht een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan indienen zolang de behandeling van het faillissementsverzoek nog niet is gesloten. De Hoge Raad voegde daar destijds aan toe dat ook in hoger beroep een dergelijk verzoek nog mogelijk is. Maar als het faillissement eenmaal is uitgesproken, kan een dergelijk verzoek niet meer worden gedaan.

De vraag is of deze regel ook in de verzetprocedure geldt. Sluit art. 15b Fw de toepassing van art. 3 Fw uit?

De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij stelt voorop dat het de bedoeling van art. 3 Fw is om zoveel mogelijk te voorkomen dat een natuurlijke persoon failleert (rov. 3.2.2). Vervolgens brengt hij in herinnering dat door het instellen van verzet de instantie wordt heropend en op tegenspraak in dezelfde instantie wordt voortgezet. Dit biedt de niet-verschenen verweerder de gelegenheid om alsnog zijn belangen te verdedigen (rov. 3.2.3).

Het past volgens de Hoge Raad bij deze strekking van het rechtsmiddel van verzet, dat de schuldenaar alsnog om toelating tot de schuldsaneringsregeling kan verzoeken. Dit strookt volgens hem ook met het uitgangspunt dat een faillissement van een natuurlijke persoon zoveel mogelijk moet worden tegengegaan. Tegen deze achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat een verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling in de verzetprocedure nog kan worden gedaan.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en het verzetvonnis van de rechtbank. Hij verwijst de zaak terug naar de rechtbank, die alsnog zal moeten beslissen of de schuldenaar moet worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en of het vonnis waarbij hij in staat van faillissement is verklaard, in stand kan blijven (rov. 3.3.2).

Bron